Voor het ontstaan van het Belgische Wit – Blauwe ras moeten we terug gaan naar de 18e eeuw. Bij het begin van de industriële revolutie in Engeland neemt de vraag naar dierlijke producten sterk toe. Deze vraag leidt tot een verbetering van de genetica van de “ authentieke runderrassen “. 
In het begin van de 19
e eeuw verschijnt een nieuw ras ten tonele:de
“Shorthorn of Durham“ genaamd. Het stamboek van dit ras wordt geopend in 1822. Dit ras kent een ongewoon grote verspreiding zowel in West – Europa als in Noord – Amerika. De lichaamsbouw van dit dier wordt dikwijls vergeleken met een “ baksteen met in elke hoek een poot “. 




België dat net zijn onafhankelijkheid verklaarde staat nog in zijn kinderschoenen en moet alles nog opbouwen. Zo ook zijn rundveehouderij welke tot nog toe bestond uit een lappendeken van diverse rassen. De toenmalige regering ziet in de
“Shorthorn“ een element van verbetering en organiseert vervolgens de import van kweekdieren van dit ras. 
 

De resultaten van de inmenging van dit Engels bloed in de autochtone populatie vielen echter tegen. Men verweet deze kruislingen, welke meestal een blauwe kleur hadden 
(de moederdieren zijn zwartbont of roodbont), een gebrekkige melkproduktie en een overmatige vervetting van de toplaag. Als reactie hierop beginnen de beenhouwers een campagne tegen de shorthorn en de “stieren van de regering“. Deze kritiek zal een schaduw vormen op de shorthorn waardoor het verdwijnt reeds voor het einde van de 19
e eeuw. Het huidige Belgische Wit-Blauwe ras heeft echter zijn sierlijke lijn, zijn vruchtbaarheid en zijn diversiteit aan kleuren ( blauw, wit en zwart) overgeërfd. 

Op het einde van de 19e eeuw ontstaat in midden – hoog België het idee om een
“ blauw “ ras te ontwikkelen wat ontdaan is van de negatieve eigenschappen van de Durham.
Voor het “blauwe rund“ werd in navolging van het Belgische trekpaard, toen in zijn glorieperiode, een gelijkaardige structuur opgezet maar deze was wel veel minder coherent. Er werden verschillende provinciale stamboeken opgezet, wedstrijden en keuringen werden zowat overal georganiseerd vooral in het zuidelijke deel van het land. Deze structuur werd echter volledig weggeveegd door de WO I. 
Toch neemt de organisatie opnieuw de draad op na de oorlog. Men trachtte hierbij de acties beter te coördineren en zo werd het “Dubbeldoelras van Midden en Hoog – België“ geboren. 
Door de plotselinge stijging van de levensstandaard na WO II verandert het eetpatroon van de bevolking grondig. Meer en meer gaat de voorkeur uit naar mals vlees zonder vet wat vlug bereidbaar is.
Ondanks het feit dat men reeds gedurende deze periode toegeeft dat dit dubbeldoelras een natuurlijke aanleg heeft voor de vleesproduktie worden enkel echte dubbeldoeldieren toegelaten tot het stamboek. Dieren met een extreme conformatie blijven uitgesloten. 
In de loop van de jaren 60 zorgen de rundveehouders voor een snelle omvorming van het dubbeldoelras tot een echt superieur vleesras d.m.v. de stieren in de KI-stations
In 1973 wordt door de reorganisatie van de rundveeverenigingen een nieuw stamboek geboren. Om nog meer aandacht te vestigen op de verschillen krijgt het ras de naam
“Belgisch Wit-Blauw“ . Voor de  (natuurlijke) selectie  is al snel een mijlpaal in zicht. Door de standaardisatie worden voortaan enkel nog dieren voortgebracht welke voldoen aan de strenge eisen van een echt superieur vleestype. Het selectiewerk bestaat er vanaf dan enkel nog in om dieren voort te brengen welke een nog betere ontwikkeling met zich mee dragen.
 
 
Het huidige Belgische Wit-Blauwe dier is minstens indrukwekkend te noemen: door zijn volume, zijn ronde vormen en zijn sierlijke lijn. Hun robuste fysiek uit zich in een zeer goed ontwikkelde spiermassa, een sterk beendergestel, een lange rug, mooi ronde ribben, ronde achterhand, vlakke heupen en een losstaande staart.
Het gewicht van een volwassen stier bedraagt gemiddeld 1200 kg met een schofthoogte van 1,46 tot 1,48 m. Sommige exemplaren behalen een gewicht van ruim 1500 kg en een schofthoogte van 1,55 m. Het gewicht van een volwassen koe bedraagt ruim 750 kg met een schofthoogte van 1,34 m. Sommige vrouwelijke exemplaren behalen zelfs een gewicht van 900 kg en worden groter dan 1,40 m. 
 
 
Door een natuurlijke selectie zijn de Belgische rundveehouders erin geslaagd een uniek dier met unieke genen te creëren. Het Belgische Wit-Blauwe rund nam de vaandel over van het Belgische trekpaard en bezorgt ons land naam en faam over de hele wereld. 
In alle delen van de wereld, (Amerika, Azië, Oceanië, ...) verwacht men van het Belgische Wit-Blauwe ras dat hij zijn stempel drukt op allerlei kruisingen o.a. Holstein, Zébu, Angus, Hereford. Deze kruisingen zorgen er o.a. voor dat 31,2 kg meer vlees en 25,1 kg minder vet wordt geproduceerd dan bij de gemiddelde Angus of Hereford. 
 
 
Het moderne Belgisch Wit-Blauwe dier onderscheidt zich op volgende punten:
- zeer hoge natuurlijke spierontwikkeling
- grote uniformiteit onder de dieren
- zijn groot formaat en goede vruchtbaarheid
- zijn mogelijkheid om jong rundvlees te produceren
- zijn voederefficiëntie bij het vetmesten. Daar Belgisch Wit-Blauwe dieren een hogere voederefficiëntie en een tragere stofwisseling hebben, stoten ze minder stikstof uit dan andere rassen wat ecologisch een voordeel is. 
- zijn aangenaam karakter
 
 
Het karkas van het Belgisch Wit-Blauw rund beantwoordt volledig aan de eisen van de eerste keus vleesmarkt. Het vlees is opgebouwd uit zeer fijne vezels waardoor het vlees over het algemeen zeer mals is. Voor de kwaliteitsslager biedt dit ras bovendien het hoogste percentage aan eerste keus vlees van alle rassen. Bij éénzelfde gewicht heeft een Belgisch Wit-Blauw dier ruim 100 kg meer vlees dan een rund met een gemiddelde conformatie. Het karkas bevat niet alleen meer vlees maar heeft bovendien een hoger percentage aan kwaliteitsvolle stukken ( + 34 % ). 
Het vlees van jonge mannelijke dieren is lichter van kleur, magerder en verliest minder vocht bij het koken dan vlees van jonge mannelijke dieren van een ander ras of ander type. Bovendien heeft het vlees een betere voedingswaarde omdat het rijker is aan eiwit en poly – onverzadigde vetzuren en minder vet en verzadigde vetzuren bevat. 
een zeer homogeen karkas, rijk aan vlees en arm aan vet ( < 12 % )
een zeer hoog slachtrendement
een extreme malsheid van het vlees dankzij de fijne musculaire structuur. Het vlees is bovendien sappig en mager; kortom een gezond stukje vlees.
 
 
Als norm kan worden gesteld dat de vaarzen de eerste maal afkalven op een leeftijd van 24 maanden of 600 kg. De draagtijd van runderen bedraagt 290 dagen. De zoogkoeien zullen ongeveer om de 385 dagen afkalven. De opfok van de jong dieren is van het allergrootste belang bij het Belgische Wit-Blauwe ras. Goed begonnen is immers half gewonnen. Voor het kalf is het van levensbelang dat het binnen de 24 uur voldoende biestmelk ( eerste melk ) opneemt. In zijn eerste levensmaanden zoogt het kalf meestal aan de koe en is melk zijn belangrijkste voedingsbron. Na één week wordt tevens dagelijks vers hooi, krachtvoeder en vers drinkwater ter beschikking gesteld. Vanaf de tweede dag tot 5 maanden leeftijd wordt een dagelijkse groei van 800 g nagestreefd. Eens het kalf voldoende voeder opneemt kan het worden gespeend.
Op een leeftijd van ongeveer 5 maanden worden de vaarskalfjes en stierkalfjes gescheiden. Vanaf de vijfde maand tot 2 jaar bedraagt de gemiddelde groei bij de vaarzen ongeveer 750 g / dag en bij de stieren 1100 g / dag. Aan de vaarzen wordt meestal gras verstrekt van de weiden. De dieren worden ondergebracht in geheel of gedeeltelijk ingestrooide stallen. Het gaat om groepshuisvesting in groepen van 6 tot 12 dieren. De voeding voor de stieren bestaat voornamelijk uit mais, stro, pulp ( afkomstig van de suikerbieten ) en een krachtvoeder met mineralen en vitaminen.
De vrouwelijke runderen kalven ongeveer 3 à 4 keer tijdens hun levensloop. Hierna worden ze geslacht. De mannelijke runderen worden geslacht op een leeftijd van ongeveer 24 maanden.
 
 
De rundvleesproduktie is een niet onbelangrijke produktierichting: in 1995 werden 
67 000 vaarzen, 291 000 koeien en 316 000 mannelijke runderen geslacht.
Ondanks dat de vleesproductie in België steeds een erg belangrijke plaats heeft ingenomen, vertoont de opfok van de dieren een grote diversiteit. Vooral in Wallonië is de uitbating van dergelijke bedrijven veel minder intensief dan in Vlaanderen aangezien de grotere oppervlakte van de bedrijven ( meer weiden ). Bovendien combineren deze bedrijven dikwijls het houden van Belgisch Wit-Blauw met andere bedrijfstakken zoals akkerbouw, groententeelt, melkvee, ... Het aantal moederdieren per bedrijf varieert gemiddeld van 23 ( bedrijf met neventak ) tot ongeveer 73 bij sterk gespecialiseerde bedrijven.